Home » Preken archief » Preken B jaar 2012 » Zeventiende zondag 29 juli 2012

Zeventiende zondag 29 juli 2012

“Jezus echter zei: ‘ Laat de mensen gaan zitten.’ Er was daar namelijk veel gras. Zij gingen dan zitten; het aantal mannen bedroeg ongeveer vijf duizend. Toen nam Jezus de broden en  het dankgebed gesproken te hebben liet Hij ze uitdelen onder de mensen.”  ( Joh. 9:10 en 11 )
 
 
Ik wil het kort houden omdat onze aandacht met grote warmte veel moeilijker is.
We hebben twee verhalen over een broodwonder horen praten ... Eerst dat uit het Oude testament bij de profeet Elia, en in het evangelie dat van het brood uitdelen met vijf broden aan zoveel mensen....
Ik wil eigenlijk met u goed even stilstaan bij dat zinnetje van het verhaal: “Jezus zei: laat de mensen gaan zitten”.
 
Ik ga niet direct het hebben over DE brood uitdeling van Jezus in onze Eucharistie,, maar als wij bij elkaar komen is dat punt altijd aanwezig.
Ik wil even de nadruk leggen, hoe Hij toen deed met de mensen, en dat we dat aspect voor NU ook ‘heviger’ mogen beleven.
 
Al die mensen. ......   Jezus vraagt niet dat ze toegangskaartjes hebben, en ook niet hoe of wat ze geloven. Hij is er, laat Zich zien, toont Zich aan hen.
Hij heeft van alles al verteld tegen die mensen, over God, die de Vader is, en dat Hij is de Zoon en dat die God lief heeft, jou ook, en iedereen, en dat Hij, ook als wij Hem vergeten, blijft beminnen.
En daarom zegt Hij tegen de apostelen: “Laat die mensen maar gaan zitten”, laat die mensen het hier goed hebben en dat ze geen honger hoeven te lijden.
Ja, je moet niet tegen mensen gaan praten of allerlei hoge dingen gaan zeggen of vragen, als ze een lege maag hebben. Daar denk je dan iedere keer aan.
 
Hij geeft, laat geven, laat ze het nu goed hebben samen op dat groen gras, en dat ze niet hoeven  te denken aan: hoe komen we met onze hongerige kinderen weer gauw thuis.
 
Echt een beeld van God voor ons. We moeten het roepen tegen de mensen die aan Hem nooit ( meer ) denken: God is er, Hij heeft je lief, Hij weet alles wat er in je omgaat, goed of kwaad, alleen-zijn, armoe hebben, honger dus ook, alles. 
Hij wil bij je aanwezig zijn met je honger naar goede dingen onder de mensen, naar zoveel leegte, naar egoïsme dat aangeprezen lijkt te worden, ieder voor zich....
We moeten in onze tijd als opnieuw met alles, al staan er nog kerken met naar de hemel wijzende punten van de torens, die de mensen niet meer zien of doen omhoog kijken naar de Hemel.
 
Ja, al zijn we maar GEWONE MENSEN, nooit heeft de lieve Heer er naar verlangt dat we over Hem gaan praten met elkaar en met iedereen!