Home » Het "GELOOF" zoek? » Bijzondere ontmoeting

Bijzondere ontmoeting

Hoe ik op een receptie zomaar met ‘een mijnheer’ te praten kwam over bidden en geloof.
 
 
Als pastoor wordt je ook  af en toe uitgenodigd op het gemeentehuis. Niet om officieel  iets te doen, maar je bent welkom  bij een uitreiking van een lintje aan iemand van de parochie, of  iets heel anders: elk jaar met de nieuwjaarsreceptie of de installatie van een burgemeester.
 
Aldus stond ik enige tijd geleden bij een receptie in de lange rij van mensen die  hun gelukwensen wilden aanbieden aan de persoon in kwestie. Je kunt je indenken hoe dat gaat: Iedere keer een paar passen vooruit, en onwillekeurig kom je intussen in gesprek met deze of gene, die toevallig naast je loopt.
 
Zo ook deze keer,... een wat oudere heer, ... nadere kennismaking was nodig want hij was niet van de parochie, en er kwam direct dieper contact, want meteen kwam er bij hem uit: “Ik ben zo goed als  ‘kwijt’ waar u, gezien uw boordje, blijkbaar toch nog achter wilt staan.”
 
Maar hij ging nu niet zo zeer door over hét geloof, modern -zijn of conservatief, celibaat… Hij zei me heel sympathiek dat hij er niet op uit was om in discussie te gaan. “Daar gaat het toch al zo vaak over, maar het blijft meestal oppervlakkig. Maar ik ben eigenlijk benieuwd hoe u het volhoudt, en ik hoor dat u een nog jonge man hebt als collega, met een enorm leeftijdsverschil; hoe houd je dat samen vol? En ik hoor dat er ook nog veel mensen naar de kerk komen. Elders is het een kleine grijze groep.”
 
Ik vat hierboven ons lopende contact even kort samen en ik kreeg ineens het idee om deze goede man te proberen te vertellen, hoe onze dag eigenlijk in elkaar steekt. Ik zei tegen de man: “Ik vertel het maar vertrouwelijk aan u. Dit is het geheim hoe wij het volhouden: Och we gaan samen na het ontbijt naar boven en een kamer die over was hebben we ingericht tot een huiskapel. Daar zitten we elke morgen, als het kan, een uurtje samen. Tijdens dat uur bidden we samen het brevier. Of zeg ik hier teveel mee? Ja, u weet nog heel goed dat het voornamelijk bestaat uit psalmen en lezingen uit de bijbel. Ja, en dan zijn we stil, ieder op zijn manier, voor het tabernakel waarin we Jezus aanwezig weten in de heilige Hostie.”
 
Zijn eerste reactie was: “Bidden? En zo lang? Ik dacht dat geestelijken dat alleen nog zouden doen tijdens en rond een dienst? Ik heb vroeger, vooral van mijn moeder toch bidden geleerd. Maar ik weet niet of ik nog een Onzevader of Weesgegroet zou kunnen zeggen.”
 
Mijn antwoord was eigenlijk betrekkelijk eenvoudig: “Ja, mijnheer, maar ons is het gebed bij gebleven, en ik denk, dat we ons bidden ook gauw kwijt zouden raken als we het zouden inkorten of weglaten. Daarom bidden we ook samen op de middag en tegen de avond met wat we vespers noemen. Och, ik zeg vaak tegen de mensen: wij moeten bidden, jullie gaan naar school, of naar je werk, of als je vrij bent een goede bestemming met anderen. Maar wij worden om zo te zeggen ‘ervoor betaald’, om namens en voor al die anderen bij de Heer te zijn. Trouwens zo is het altijd geweest dat mensen, bijvoorbeeld kloosterlingen,  het vitale leven van het hele christenvolkje leven in bliezen.”
 
Nog voor we direct konden aansluiten bij de mensen die op onze gelukwensen wachtten, zei de goede man.....”Ik dank u wel. U denkt misschien dat u niet veel hebt kunnen zeggen, maar ik ga het nog eens proberen. Het zal wel kort en stil zijn, misschien zonder woorden nog, ik zou op gang willen weer komen.”
 
“Fijn, dat onze tijd van wachten in de rij ons heeft doen ontmoeten. Kom ook nog eens bij ons binnen, het is een sfeervolle kerk, en mensen die je graag zullen zien.”
 
Ik zie hem nog wel eens: een knipoog, blik met: wij begrijpen iets van elkaar!
 
 
Ik las vanmorgen een tekst in het boek Jesaja  (65:1)
Dat zou ik hem willen laten lezen, maar ook vele andere mensen.-
Net een tekst voor ons in deze tijd:
 
“ IK, God laat Mij zoeken door hen, die niet naar Mij vragen.
Ik laat mij vinden door hen die Mij niet zoeken:
‘Hier ben Ik, Hier ben Ik’,
zo zeg Ik tot een volk dat mijn naam niet aanroept.”